De staalindustrie aan het eind van de 19e eeuw draaide niet alleen om ijzer en vuur. Het was een machtsstrijd die zich afspeelde op fabrieksvloeren en rivieroevers. Centraal in een van de meest gewelddadige arbeidsconflicten in de Amerikaanse geschiedenis stond de Carnegie Steel Company. Tegen de tijd dat de Homestead Strike in 1892 uitbrak, had Andrew Carnegie zijn bedrijf al omgevormd tot een financiële moloch. Hij bouwde het in de jaren tachtig en negentig van de negentiende eeuw uit tot een van de grootste en meest winstgevende staalbedrijven in de Verenigde Staten.
Het fysieke hart van deze operatie bevond zich in Homestead, Pennsylvania. Gelegen op slechts een paar kilometer van Pittsburgh langs de kronkelende Monongahela-rivier, was de molen enorm. Het was niet slechts een van de vele faciliteiten van Carnegie. Het was een van de grootste molens die hij bezat. Deze schaalgrootte gaf het bedrijf een enorme invloed. Het creëerde ook een snelkookpan waarin werknemers en management met elkaar in botsing kwamen over lonen, werkuren en controle. De locatie was niet willekeurig. De rivier zorgde voor het transport van grondstoffen en eindproducten. Maar het isoleerde ook het personeelsbestand, waardoor het voor het bedrijf gemakkelijker werd om krachten van buitenaf in te schakelen als er iets misging. Het toneel was klaar voor een confrontatie die de arbeidsverhoudingen in Amerika opnieuw zou definiëren.
























